Literaire verpozingen tussen Bariloche en Valparaiso

Wat de Route 66 voor de Verenigde Staten betekent, is de Ruta 40 voor Argentinië. Omwille van de aantrekkingskracht van zijn iconografisch karakter, maar vooral omdat ik nu eenmaal verder noordwaarts moet, koop ik een ticket richting El Bolsón over de Ruta 40. Al liftend lukte het me al via de Ruta 40 van El Calafate tot El Chaltén te geraken, maar ik moet sneller reizen als ik mijn einddoel wil bereiken en ik vrees dat ik duizendtweehonderd kilometer niet in één stuk al liftend kan afleggen. Ik ben een economisch-actief dier en koop dus maar een busticket. Het lokale busbedrijf zadelt me op met een ticket waar het wraakroepende vertrekuur van drie uur ‘s nachts op staat. Ik zie het niet zitten voor een halve nachtrust te betalen in de herberg en kies ervoor om aan de bar de tijd te laten passeren. Drie glazen bier en een wodka later vallen mijn ogen dicht en vraag ik iemand die nog in de bar zit het ongebruikt bed te mogen beslapen voor een uurtje, wat me wonderwel lukt.

Bestaat er een groter gruwel dan na amper een uur slapen in het midden van de nacht gewekt te worden door het onvriendelijk geluid van de wekker? Te voet naar het busstation kan de eindeloze sterrenhemel die als een aureool boven mijn hoofd hangt de last niet verzachten. Iedereen op de bus lijkt in dezelfde stemming te zijn, dus worden er geen woorden gewisseld. De ritten over de Ruta 40 worden deels als een toeristische attractie verkocht. Het is hun in Argentinië niet ontgaan dat deze autoweg aanzien heeft buiten de landsgrenzen. Wat er echter niet bij verteld wordt is dat deze baan onder constructie is (misschien moet ik meer reisgidsen lezen) en de bus langzaam schokt van put naar steen. De stop in El Bolsón leek dan ook nog eens een maat voor niets, mijn humeur staat er niet naar om me te begeven onder de plaatselijke hippies en voorlopig heb ik genoeg natuurparken gezien. Ik vlucht verder noordwaarts.

Che Guevara beschreef San Carlos de Bariloche in zijn twintigerjaren als een rijker deel van Argentinië, ook hem waren de vrijstaande huizen en keurig verzorgde tuinen opgevallen. Dit is een ander, rijker Argentinië.

Ik vind een herberg tegen de heuvel met een uitzicht over het Nahuel-Huapimeer dat er mistig bijligt. Ik waan me rond Loch Ness door de mystieke silhouetten van de bergen die afgetekend aan de horizon liggen. Hier in Bariloche, heb ik een afspraak met Pola Oloixarac die buiten de stad woont en haar status toont aan de hand van een bewaker voor haar huis. Hij weigert mij eerst de toegang tot het domein en wil niet geloven dat deze vagebond op afgedragen schoenen en met verwilderde baard hier op uitnodiging is. Voor het eerst opent mijn perskaart een deur en wandel ik het terrein op.

Het huis van Argentinië’s meest besproken en controversiële schrijfster van het moment ligt aan de oever van het meer. Hier leeft ze teruggetrokken na alle commotie rond haar debuutroman Las Teorías Salvajes (bij ons bekend als Het Hoorcollege). Bedreigingen en openlijke beschimpingen op straat besloten haar om Buenos Aires te verlaten.

Ze is net terug uit India waar ze een literair festival bijwoonde en dat is er aan te zien. Ze heeft de aldaar typische kledij aangeschaft die je vaak ziet bij Westerse reizigers die te graag gewoontes overnemen van andere culturen, amper beseffend hoe hard ze plots contrasteren met zichzelf.

Met haar gewaad schrijdt ze door haar huis en al tijdens de eerste woorden merk ik dat dit een dame met uitgesproken meningen is. Zo ziet ze weinig toekomst voor Argentinië, volgens haar zou het beter samensmelten met Brazilië. Ze gelooft de rooskleurige statistieken niet waarmee Argentinië mee naar buiten komt. Argentinië is armer dan het zich voordoet. Ondanks deze krachtige taal vindt ze zichzelf niet revolutionair, maar toch raakt ze deze thema’s aan in haar boek. Ze gelooft in de deugdzaamheid van de internetrevoluties, die volgens haar enkel het wapen zijn van degene aan de goede zijde van de moraal. Ze steunt de revolutionairen die de straat geruild hebben voor het internet. Dit vertaald zich naar de hoofdpersonages in haar boek die Google Earth willen hacken en de bestaande foto’s van de stad wisselen door foto’s van straten in Buenos Aires bevlekt met bloed.

In Bariloche heeft ze rust gevonden, al gaat ze amper naar de stad, de boodschappen worden aan huis geleverd en bij afwezigheid van haar man die in Moskou is, vindt ze gezelschap in Maxine Swann, columniste van The New York Times die in Pola’s huis een kamer en tafeltje heeft waar ze aan een boek schrijft. Het zijn bijzondere dames die zichzelf hier afsluiten van een wereld die ik juist volop aan het beleven ben. Ze toonden mij een Argentinië dat zich nog niet voor mij had geopenbaard. Toch wenkt voor mij de buitenlucht, hoe somber en mistig deze ook mogen zijn in Bariloche.

Ik steek de grens terug over en beland in het Chileense Pucón aan de voet van de vulkaan Villarrica. Mijn hoop op een beklimming wordt gefnuikt door de regen die hier met liters uit de lucht valt en mij al een week achtervolgt. Beter weer is er niet op komst en ik ga naar het warmere Santiago, de hoofdstad van Chili. De kilometers beginnen op te lopen, ik ben nog maar veertig dagen op reis en er zijn al achtduizend landkilometers onder mij voorbijgegleden.

Wanneer ik om zes uur ‘s ochtends aankom bij Catalina, mijn nieuwe couchsurfhost, word ik verwelkomd in een appartement waar de lichten niet aangaan. Catalina heeft zojuist haar verjaardag gevierd en kruipt na het sluiten van de deur en het aanwijzen van de zetel waarin ik mag slapen, onmiddellijk terug in bed. Enkele uren later word ik op mijn beurt gewekt door een vriendin van haar die na het feestje bleef slapen, met de vraag wie ik in godsnaam ben en wat ik op de zetel van haar vriendin doe. Zelf verdoofd door de slaap, vind ik amper een taal om me uit te drukken. De vriendin verlaat het appartement zonder antwoord uit mij te krijgen.

Catalina verlaat haar slaapkamer rond het middaguur en maakt mij wegwijs in de stad. Santiago ademt dezelfde sfeer uit als Buenos Aires en Montevideo. Het is leuk om terug in een grote stad te zijn met veel beleving en pleinen vol. In Santiago hoor ik voor het eerst de stem van het volk, niet alleen lees ik in de krant dat de ferries en bussen staken voor betere sociale voordelen, ook de studenten en ouders laten zich horen. Ondanks de hervormingen op onderwijsvlak vier jaar geleden na een studentenstrijd, genaamd de Pinguinrevolutie, refererend naar de wit-zwarte kledij van de studenten, is de aanklacht van het volk (het toenmalige onderwijssysteem zou sociaal-economische verschillen tussen studenten bestendigen) nog steeds hoorbaar. Catalina vertelt me dat het niveau van onderwijs nog steeds te laag is en dat de kostprijs voor een opleiding voor velen onbetaalbaar is. Catalina’s ouders zijn welstellend genoeg om haar opleiding te betalen, maar toch is ze erg sociaal bewogen. Ze studeert rechten en focust ze zich op de schendingen van mensenrechten in Chili. Op dit moment bestudeert ze een zaak waarbij een moslimvrouw in Chili (ze bestaan) hardhandig van haar hoofddoek werd ontdaan nadat ze deze eerst weigerde af te doen.

Catalina nodigt me uit voor een verjaardagsfeestje bij haar ouders in San Antonio enkele dagen later. Ik zit al een maand op een dieet van goedkoop voedsel, dus dat alleen is al voldoende reden om de uitnodiging met beide handen aan te nemen, want een gratis maal -en dan nog wel een feestdis- mag je niet afslaan in het prijzige Chili. We spreken enkele dagen later af in San Antonio, na mijn bezoek aan de havenstad Valparaiso.

Valparaiso was zowel de geboorteplaats van Salvador Allende als Augusto Pinochet, beiden waren ook president van het land, maar daar stoppen dan ook alle opgaande vergelijkingen. Het is Salvador Allende die hier in de vele muurschilderingen, die deze stad rijk is, afgebeeld is. Van Pinochet vind ik geen spoor. Ook Allende’s oude vriend en Nobelprijswinnaar literatuur Pablo Neruda heeft een vooraanstaande plaats in Valparaiso. Neruda zocht hier een huis op zoek naar rust en schoonheid en vond deze in La Sebastiana, zijn huis hoog tegen de heuvelwand van Valparaiso. Vanuit La Sebastiana kan je de complete baai van de stad zien. Het huis is net als zijn teksten van poëtische aard. Elke kamer heeft zijn verhaal, elke kamer is gebouwd rond objecten en prularia gekocht in antiekzaken in Santiago en Valparaiso.

Deze stad straalt kleur, schoonheid en cultuur uit, je kunt geen trap of huis passeren of een kleurrijk schilderwerk verlicht je geest. Zelfs de aftandse haven en groezelige steegjes trekken aan. Ik besluit Neruda’s strooproute te volgen en kom terecht bij El Abuelo (de grootvader), een antiquair waar Neruda vaak te vinden was. Ik ruik en voel de opstapeling van duizenden jaren geschiedenis. Het stof dat als een flinterdun tapijt de boel bedekt, lijkt op zijn plaats. De oprichter van de zaak is niet meer, maar zijn zoon heeft deze mooi zaak overgenomen en leidt mij rond in zijn zaak en probeert zich te behelpen met het beetje Frans dat hij spreekt. Bij het verlaten krijg ik een kopie van een betaalbewijs gehandtekend door Pablo Neruda bij één van zijn aankopen. Ik eindig mijn bezoek aan deze stad die mijn hart heeft veroverd met een pisco sour waarna ik de bus naar San Antonio neem.

Ik ben één van de laatste gasten die zich aandient op het feest en voel me niet onmiddellijk op mijn gemak. Niet alleen voel ik me als buitenlander en onbekende een curiosium, Catalina’s vrienden zijn allen zes of zeven jaar jonger dan mij. Maar dat belemmert niemand persoonlijk zijn gastvrijheid te etaleren, Catalina’s ouders op de eerste plaats. Ze hebben het goed voor elkaar: een mooi elipsvormig zwembad siert de tuin en iemand in de keuken die voor het eten zorgt. Haar vader is dokter maar lijkt met zijn hoed en hemd meer op Hunter S. Thompson. Hij begroet me met een warme lach en biedt me een pisco sour aan. Na een heerlijk maal met het lekkerste vlees en de beste vis, merk ik dat de pisco sours zich opstapelen en ik licht beneveld op mijn best ben in de Spaanse taal.

De zon is al even onder en zowel jong als oud kan het goed met elkaar vinden, het lijkt alsof er geen generatiekloof is. Ik word door iedereen bevraagd wat ik van Chili vind en dan vooral van zijn bevolking. Ze willen het liefst horen dat ze gastvrijer zijn dan de Argentijnen.

Victor, één van Catalina’s vrienden leest een gedicht voor waarmee hij onlangs een prestigieuze prijs heeft gewonnen. Iedereen luistert in stilte en hij verdient een luid applaus. Iedereen, maar vooral Victor is trots dat hij uit hetzelfde land als Neruda komt. De ziel van Chili zit in deze jongeren, ze zijn progressief, geloven in de kracht van het geschreven woord en het debat om iets te veranderen en hebben allen naïeve, maar o zo mooie dromen.

De Chivas Regal komt op tafel en slaat me helemaal knock-out. Het is het einde van een schitterende en gezellige avond. Ik heb me gulzig tegoed gedaan aan al het goeds dat me aangeboden is en ik plof neer op een zacht kussen in de logeerkamer. In mijn slaap neem ik al een beetje afscheid van Chili en droom verder naar de Atacamawoestijn, mijn poort naar Bolivië.

Santiago de Chile, maandag 5 maart 2012

Cordillera de los Andes

Het is halfzeven ‘s ochtends wanneer ik uit het venster kijk. Een taxichauffeur claxonneert zenuwachtig, twee enkel in een handdoek gehulde hoertjes lopen naar buiten, pogend enige seksuele appetijt bij de chauffeur op te wekken.
Een oudere man strompelt zichtbaar beneveld naar buiten. Terwijl de klant van het bordeel, de klant van de taxichauffeur wordt, lopen de meisjes giechelend naar binnen, waarbij de ene de andere met een vlotte beweging van haar handdoek ontdoet. De taxichauffeur beleeft vroeg in de ochtend al zijn hoogtepunt van een waarschijnlijk lange werkdag.

Aan de noordzijde van Puerto Natales komen de arbeiders die tewerkgesteld zijn in de havengebieden van de zuidelijkste dorpjes van Chili met één welbepaald doel, en de meisjes uit Calle Baquedano zijn daarvoor het medium.
Oscar, de padre familia van het gastgezin waar ik verblijf –en zelf machinist op een ferry- vertelt het me zonder veel omwegen. Het cliënteel liet na de de komst van de bordelen in de straat zijn café links liggen. Enkel zwervers vinden nog de weg naar zijn kroeg. Daar krijgen ze voor een handvol pesos een limonadeglas wijn dat ze traag opdrinken, zodat ze voldoende warmte van de houtkachel kunnen stelen voor ze terug de koude worden ingejaagd.

Toch vang ik bij Oscar geen geweeklaag op over de gang van zaken in zijn café. Prostitutie is hier geen taboe. Volgens mijn gastheer past het mooi in het sociale gemeenschapsleven in Puerto Natales. In het anders zo katholieke Chili maken ze er hier blijkbaar geen probleem van. Oscar maakt zich geen zorgen over zijn café, hij verdient goed zijn brood als havenarbeider. Hij wijst me zijn drie wagens als het bewijs van zijn welvaart. Ik probeer bewondering te veinzen, wanneer ik zijn oude, door corrosie aangetaste wagens zie staan. Chili is één van de weinige landen die volgens de statistieken (nog) niet hard hoeft te lijden onder de wereldwijde financiële crisis en heeft dit vooral te danken aan de staatsreserves van de koperexport.

Reizigers kiezen Puerto Natales als uitvalsbasis naar het Nationaal Park Torres del Paine. Ook hier is er geen tekort aan reizigers uit alle windstreken om deze ongerepte natuur te bezoeken.

Mijn drie Belgische kompanen: Bram, Dieter en Hendrik, zoals ik ze graag alfabetisch sorteer, verblijven in een hostel aan de waterkant van de stad. Spijtig genoeg kon ik ze niet meesmokkelen bij mijn couchsurfhosts. La Familia –zoals ze zichzelf heten- houdt er nochtans een gewoonte op na om reizigers te verzamelen al ware het postzegels. Sinds de laatste jaren hebben ze al aan meer dan duizend bohemiens onderdak verleend. Maar vandaag is het zelfs voor mij vechten voor een slaapplaats. Maar liefst veertien anderen zijn vandaag te gast bij Oscar en Gloria. Het is een zoete inval in een Babylonisch taaltje. In ruil voor de gastvrijheid wordt er lief verzocht om het benodigde trekkersmateriaal voor het nationaal park bij hun te huren. Bij het afscheid kan men tevens anoniem een bijdrage stoppen in een spaarpot die in het midden van de woonkamer als een soort totempaal staat. Toch heeft deze clandestiene herberg een warm en authentiek karakter. Iedereen schuift vrolijk mee aan tafel voor het eten en de glazen worden in een hoog tempo bijgevuld met Chileense wijn. Mama Gloria ontfermt zich tevens over deze reiziger die ondertussen ziek is geworden.

De koorts dwingt me om voor het warme dons te kiezen en mijn Belgische reispartners te laten voorgaan naar Torres del Paine –samen met 13 van de couchsurfers ten huize Gloria en Oscar. Ik blijf alleen achter met ‘El Russo’, een Rus die hier blijkbaar al bijna drie weken inwoont, omdat hij zijn voet bezeerde bij het stappen. Sinds ik alleen met hem ben achter ben gebleven heb ik een achterdocht jegens dit obscure personage ontwikkeld. Hij weigert mijn aanwezigheid te erkennen, antwoord zelden op mijn vragen, maar praat honderduit met Gloria, Oscar en hun drie kinderen. Waar hij vandaan komt noch waar hij naartoe gaat is voor niemand duidelijk. De gastvrijheid van het gezin contrasteert fel met de houding van de Rus naar mij toe.

Na twee dagen te bed ben ik er compleet bovenop en trek ik mijn vrienden achterna.

Het weer is guur bij aankomst, maar na anderhalf uur stappen lossen de wolken op boven het Lago Nordenskiöld. Mijn thermisch ondergoed lijkt niet te ademen zoals de verpakking mij nochtans beloofd had en al snel mag ik enkele onderdelen van mijn kledij uitspelen. Wanneer de zon hier schijnt, slaat ze hard toe, de ozonlaag is hier heel dun en eens aan de laatste kampplaats voor de klim naar de Torres del Paine merk ik dat mijn onbedekte lichaamsdelen mooi geblakerd zijn. Hier kruis ik het pad van Bram, Dieter en Hendrik. Samen zullen we de laatste klim aanvatten en daarvoor willen we vroeg uit de veren om de climax: het zien van de Torres del Paine (blauwe torens in het Tehuelche) bij zonsopgang.

Wanneer om half vier ‘s nachts de wekker afgaat, slaat mijn ochtendhumeur keihard toe. Wanneer de anderen dan ook nog eens opmerken dat ik treuzel en ik merk dat mijn hoofdlamp constant naar beneden klapt bij elke stap (zodat enkel mijn schoenen verlicht zijn), verspreidt mijn woede en onvrede zich over alle aardlingen. Gelukkig kom ik er op dit uur van de nacht niet zoveel tegen.

Alain de Botton maakt in De Kunst van het Reizen een wijze bedenking. Iedereen die op reis gaat maakt steeds een grote inschattingsfout als hij zijn reis plant op basis van artikels en foto’s en hij daarbij het gevoel krijgt dat hij op die plaatsen pas echt gelukkig zal zijn. We vergeten dat we naast al dat moois, ook onszelf meenemen en die persoon ligt af en toe eens dwars. In mijn geval houdt dat in dat ik niet aan te spreken ben vroeg in de ochtend en elke vorm van ongemak geëxtrapoleerd wordt waardoor ik het gevoel krijg dat de hele wereld zich tegen mij keert. Samengevat, dit waren niet mijn meest heuglijke momenten van deze reis.

Zonder veel woorden trekken we in een hoog tempo bergopwaarts, waardoor sommigen ons verwarren met een ultraloopteam. Het zorgt ervoor dat we snel opwarmen, wat nodig zal zijn eens in de wolken. Het laatste halfuur stijgen we boven de boomgrens en vinden we onze weg tussen de rotsen. Het is nog pikdonker en de wens voor een heldere nacht leek tevergeefs. Ik heb daarbij het gevoel dat we veel te vroeg vertrokken zijn en tevens is er het risico dat de wolken niet zullen wegtrekken bij zonsopkomst waardoor we niets te zien zullen krijgen van de fameuze torens.

We staan eindelijk boven, midden in een wolk, het is aardedonker en we zijn kletsnat van het zweet. Al snel koelen we af. Twee snuggere zielen onder mijn vrienden waren zo slim om hun slaapzak mee te brengen. Het geeft hun tenminste isolatie tegen de wind en de kou. Ik hou me warm met gevloek en gesakker en kan het niet laten om fijntjes op te merken dat we gelukkig niet een half uur later vertrokken zijn, of we zouden het hele spektakel hier gemist hebben. Ik krijg een kwade blik van Bram. Ik betrap mezelf erop dat ik ook hoog in de bergen een kleine persoon kan zijn.

Een halfuur later, speuren we bibberend door het wolkendek naar een teken van pracht. De vingers en tenen zijn al gevoelloos geslagen door de kou wanneer de zon lichtjes door het wolkendek begint te prikken. Kleine stroompjes euforie beginnen ons lichaam binnen te lopen en activeren de verkleumde delen. Een kwartier later zien we door de laatste hardnekkige wolkenpluk de weerkaatsing van het licht op de drie torens. Het zorgt ervoor dat we elkaar terug met een vriendelijke blik kunnen aankijken, de trilling in mijn handen zorgt ervoor dat ik in de onmogelijkheid verkeer om mooie foto’s te nemen, maar dat is even bijzaak. Bij het aanschouwen van het geheel van deze krijtrotsformaties lijkt deze kleine persoon nog veel kleiner.

Onze passages tussen Argentinië en Chili lijken wel een kruissteek. Onze volgende halte is het Nationaal Park Los Glaciares, dicht bij El Calafate in Argentinië. We huren een auto, plaatsen Dieter, de meest verantwoordelijke en meest ervaren chauffeur aan het stuur en rijden richting Perito Moreno: de gletsjer van dertig kilometer lang en vijf kilometer breed is één van de grootste ijsvelden ter wereld. We spenderen een hele namiddag en avond aan de voet van de gletsjer wat al snel bij mij tot verveling leidt, maar dat is het risico als er enkele fotografen mee zijn die kost wat kost die ene mooie foto van de gletsjer willen bij zonsondergang.

Het wachten is het geduld echter waard. Rond de klok van acht begint de zon een wondermooie gloed op de gletsjer te werpen en beginnen er grote delen ijs van de gletsjer te breken. De gletsjer steekt gemiddeld zeventig meter boven het water uit en de neerwaartse kracht van het vallende ijs zorgt voor een donderend geluid en visueel spektakel.

Sinds ik aan de onderzijde van de evenaar verblijf leerde ik al een aantal bijzonderheden, bijvoorbeeld dat de zon hier anders draait dan aan de bovenzijde en dat het badwater in omgekeerde richting wegstroomt. Vandaag leren mijn reisgenoten –die meer wetenschappelijk geschoold zijn- mij de wet van Archimedes (op vraag waarom ijs niet zinkt) en merken we met onze eigen ogen dat het licht effectief sneller reist dan het geluid. Eerst zien we de brokstukken in het diepe ijle vallen, even later pas het geluid van het afscheuren van het ijs.

Ik leer hier wijze lessen, al zijn het niet degene die ik voorheen voor ogen had.

Een lift brengt mij van El Calafate naar El Chaltén, een klein stadje in de schaduw van Cerro Torre en Mount Fitz Roy. Deze toppen in de Cordillera de los Andes zijn ijkpunten op de grens, die nog steeds graag betwist wordt door de Chilenen omdat bijna alle waterbronnen zich op Argentijns grondgebied zouden bevinden. Deze twisten zijn een klein deel van een eeuwigdurend steekspel tussen beide buurlanden. Zo blokkeerde het Chili van Pinochet, de Argentijnse bevoorradingsschepen voor de militairen tijdens de Falklandoorlog. Een doorn in het oog van de Argentijnen die na hun onafhankelijkheidsrevolutie de Chilenen hielpen met hun eigen strijd voor onafhankelijkheid.

De trekking naar Cerro Torre verloopt nog vlekkeloos, maar de dag erna bij een trekking richting Mount Fitz Roy wordt mijn jas door een combinative van eigen nalatigheid en de aanwezigheid van iemand met lange vingers afhandig gemaakt. De jas kon me (blijkbaar letterlijk) gestolen worden, maar de iPod die erin zat met zowat mijn hele muziekbibliotheek was me dierbaarder en de enigste luxe die ik me op deze reis had toegekend. Ik fluister mezelf bijna toe dat het hoort in een vorm van materiële onthechting die past bij deze reis (na het verlies van twee boxershorts en een elektrisch scheerapparaat), wanneer mijn afscheidnemende vrienden hun iPod aan mij geven en zo terug muziek in mijn reis blazen. Een geste die kan tellen en het afscheid nog wat gewichtiger maakt. Morgen scheiden onze wegen en reis ik via El Bolson naar San Carlos de Bariloche waar ik mij in het spoor nestel van de vierentwintigjarige Che Guevara.

El Bolson, donderdag 22 februari 2012

Het echte zuiden en zijn vier seizoenen in een dag

Ze oogt Indiaans, al zijn mijn ogen net als mijn inschattingsvermogen niet steeds te vertrouwen. De eerste communicatiepogingen verlopen stroef, daarna wordt ze ook nog eens overvallen door een huilbui die er nogal inhakt. Ik probeer bewust niet te veel over mijn linkerschouder te kijken om haar niet nog meer op haar ongemak te doen voelen. Na het eerste uur van onze burenrelatie begint ze in zichzelf te praten. Uitgerangeerd als praatpartner nog voor ik aan het woord ben geweest. Het beloven twee leuke dagen te worden op de bus richting Ushuaia. Het begon nochtans goed: ik zit bovenaan de bus, helemaal vooraan wat betekent dat ik straks een breedbeeldzicht heb op Patagonië en een veertigtal uur later op Vuurland.

Vuurland ofte Tierra del Fuego heeft zijn naam te danken aan de vuren van de inheemse Yámana die de eerste voorbijvarende schepen opmerkten voor de kusten. Mijn buurvrouw is vandaar afkomstig, misschien heeft ze nog Yámanabloed, maar wat weet ik nu eigenlijk over inheemse volkeren, buiten dat ze met pijl en boog niet onoverwinnelijk bleken te zijn en bijgevolg enkel nog tussen ons speelgoed te vinden waren. Mijn buurvrouw staat me uiteindelijk toe. Het was voor het eerst in acht jaar dat ze haar in Buenos Aires wonende zus had bezocht. Het afscheid valt haar hard.

DSCN0446

Het breedbeeld op Patagonië lijkt een testbeeld te zijn, alsof ze hier een langgerekte copy-paste opdracht hebben uitgevoerd. De onbevattelijkheid van de uitgestrektheid van dit land maakt me stil en heel klein.
Geen boom, geen heuvel, laat staan lichte glooiingen. Je kan gerust een uur of zes slapen en wakker worden met hetzelfde beeld voor je. De occasionele guanaco of flamingo blijken de kijker gerust te willen stellen dat de bus nog in beweging is. Landschapspuzzels worden in dit gedeelte van de wereld als straf opgelegd. Ik weiger me echter te laten bedroeven en kijk al uit naar de zuidelijkste stad ter wereld, de stormachtige archipel omringd door de Straat van Magellaan en het Beaglekanaal. Hier strandden voorheen veel schepen of werden verwoest door stormen.

Na een busrit van 53 uren kan ik een hostel zoeken, een fles Beaglebier openen en morgen drie vrienden opwachten die dankzij een groter verstandelijk vermogen simpelweg met het vliegtuig komen.

Ik vind mezelf nogal grappig als ik mijn vrienden de volgende dag ga ophalen aan de luchthaven van Ushuaia met een papier waarop in het groot staat: ‘Belgian Expedition Team’. Ik ben ruimschoots op tijd en span het papier mooi op tussen beide handen. Vijftien minuten later ben ik omringd door talloze collega’s met grafisch beter uitgewerkte pancarten. Doch ik weiger mijn serieux te verliezen.
Ook wanneer ik door een oudere Fransman aangesproken word met de vraag waar de expeditie naartoe leidt. Het blijkt de grote – maar voorheen voor mij onbekende – Claude Lorius te zijn. Gerenommeerd glaciologist, klimatoloog, Antarcticareiziger en directeur-emiritus van het CNRS, de grootste Franse overheidsorganisatie voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. Hij charterde bijna de helft van het vliegtuig en is hier nu voor opnames van een documentaire in Antarctica. Deze wil hij op zijn gezegende leeftijd van tachtig jaar nog zelf in goede banen leiden. Hij lijkt mijn mop wel te smaken en komt verscheidene malen terug in de hoop het gezicht van mijn vrienden te zien wanneer ze hun ontvangstcomité zien. Ondanks zijn vele titels en prijzen die hij vergaarde, blijkt deze man een toffe peer te zijn.

Ushuaia is de uitvalsbasis bij uitstek om naar Antarctica te reizen. Een cruise richting dat koude continent kost je al snel meer dan vierduizend euro. Hier maakte de Belg Adrien De Gerlache naam. Hij en zijn bemanning van de Belgica waren de eersten die (gedwongen) op het Zuidpoolgebied overwinterden en hij bracht het eerste bewijs dat er een groot Antarctisch continent was.

DSCN0564

Voordien deed dit zuidelijk uitsteeksel van Argentinië vooral dienst als strafkamp. Ontsnappen was geen optie, aangezien het klimaat en de natuur de mensen opvrat. Het gure en wisselvallige weer (vier seizoenen in een dag), nergens beschutting te vinden en grond die amper iets te bieden heeft. Vaak boden ontsnapte gevangenen zich na een kleine week terug aan in de gevangenis. Jack London laat het zijn antagonist Wolf Larssen in Zeewolf graag vertellen: hoe miezerig en doelloos je leven ook is, elk hoopje ongeluk zal kiezen voor de voortgang van dat bestaan, alles behalve de dood. Zo verging het ook vaak de gevangenen op het Argentijnse Siberië.

DSCN0539

Het nationale park van Tierra del Fuego is een verademing binnen de eentonigheid. Bergen die oprijzen te midden het Beagle-kanaal, overvliegende caracara’s die zich gedragen als gieren en aalscholvers die hier verduiveld hard op pinguïns lijken. Ongerepte natuur die van hieruit de machtsverhoudingen tussen natuur en mens weer scherp stelt.

Over pinguïns gesproken, iedereen is er hier gek van. Pinguïns spotten is hier een hype die ik maar niet begrijpen kan. Wanneer ik navraag bij andere toeristen waar die plotse belangstelling voor dit dier vandaan komt, krijg ik steevast het antwoord dat deze hier in het wild leeft. Nog niet overtuigd, beslis ik natuurlijk mee te gaan met de hype. Ook ik ga pinguïns spotten. Niets is minder leuk dan alleen met je cynisme achter te blijven op je kamer.

Na de grote steden Montevideo en Buenos Aires ben ik in het spoor geraakt van de echte backpackers, reizigers en avonturiers. Iedereen is hier North Face en Gore-Tex. Met grove baarden en een stevige tred snijden ze door de wind. Het ongemak past ze als gegoten, sadomasochisten op bergschoenen.
Sinds kort reis ik verder met mijn vrienden en dat voor twee weken. Mijn perspectief is dus veranderd van solitair reiziger naar groepsreiziger. Het eerste wat ik dus doe, is deze solitaire reiziger aanschouwen en ontleden en het verdict is hard: hij/zij probeert zich voor anderen zichtbaar te maken met sterke verhalen over verleden reizen, anekdotes overladen door superlatieven of lachsalvo’s die vooraf al aangeven dat het komend verhaal grappig zal zijn.
Zo is er de kerel die speciaal naar die ene berg was geweest om zich daar naakt te laten fotograferen, zijn uitsluitend vrouwelijk publiek lijkt maar weinig onder de indruk, hij herhaalt het verhaal nogmaals, denkend dat ze het de eerste maal niet goed begrepen hebben. Of de Belg die steeds over zichzelf spreekt in de eerste persoon meervoud, ik vermoed dat alleen reizen voor hem funest is. Ik vind ze niet leuk, waarschijnlijk houden ze me een spiegel voor.

DSCN0530

Ik steek met mijn medereizigers de grens over richting Chili en we slaan onze tenten op in Punta Arenas. De Chileense evenknie van Ushuaia want tevens een vergaan detentieoord waarrond een stad is gebouwd. Ook hier is het weer guur en veranderlijk. Al lonkt het warmere Noorden: Torres del Paine, El Calafate en El Chaltén…

Ushuaia, donderdag 9 februari 2012.

Buenos Aires, bewegen tussen tegenstellingen

Een junior-manager van de Standard Bank in Buenos Aires zal me vanop zijn bureau op twintig hoog amper een blik waardig hebben gegund toen ik zwaargeladen vanuit de haven de Zona Norte naderde. Buenos Aires is volgens de prestigieuse reis– en toerismepublicatie Travel + Leisure de op een na populairste reisbestemming ter wereld (na Firenze). Het Parijs van Zuid-Amerika –zulke vergelijkingen vinden ze hier wel leuk- heeft zelfs een eigen obelisk. Buenos Aires krioelt van de toeristen.

De geur van de stad stoot af: verrotting, verbrande benzine en de verschillende uitwasemingen die uit winkeldeuren ontsnappen. Maar toch boeken we allemaal graag een city trip. De ervaring van de stad is er steeds één waarmee je alle zintuigen nodig hebt. In Buenos Aires is het niet anders, deze stad doet wat met je. Tango, Boca Juniors, ficussen en de eeuwige straatprotesten, maar vraag je het iemand anders, dan krijg je geheid een andere bepaling van Buenos Aires te horen. Buenos Aires heeft vele accenten en kleuren die net als het plan met de verschillende wijken -egaal en bruusk tegelijkertijd- in elkaar overlopen. Ik heb twee nachten geboekt in Florida Hostel Suites, het grootste hostel in Buenos Aires. Dit hostel ligt in de drukke winkelstraat. Een winkelstraat die zichzelf elke 100 meter lijkt te herhalen. Talloze McDonalds, Burger Kings én cosmeticashops, om al dat opgehoopt vet afkomstig uit fastfood te camoufleren. Jongeren zijn hier om te feesten, pub brawls zoals ze deze mooi naar het Engels vertalen voor de toeristen. De staf van het hostel doet vrolijk mee door bij het inchecken te vragen of je mee op stap gaat vanavond. Ik zal wel niet de eerste geweest zijn die in eerste instantie dacht dat het mijn mooie ogen waren. De grote winkelstraat wordt een catwalk in de vooravond en bewijst onmiddellijk waarom deze stad het mekka van de borstvergrotingen wordt genoemd.

Beetje bij beetje maak ik mij deze miljoenenstad eigen. Voorzichtig de eerste wandeling naar het pittoreske San Telmo en de eerste busrit. De voorzichtige stappen op het gerenomeerde Plaza de Mayo, ogen gericht op Casa Rosada, bekend van de toespraken van het presidentenpaar Juan en Eva Peron. Argentinië is trots op zijn Plaza de Mayo, het teken van de revolutie, maar tegelijkertijd staat het symbool voor een eeuwig protest tegen eigen regeringsleiders groot of klein.
Het plein is beschilderd met hoofddoekjes (zouden we in België niet te snel moeten doen), het symbool van de moeders van het Meiplein. Deze moeders kwamen op het plein protesteren tegen de militaire junta in de jaren zeventig en tachtig, omdat talloze van hun zonen verdwenen waren onder mysterieuze omstandigheden. Dertig jaar liepen ze zwijgend over het plein. In 2006 hielden deze protesten op wanneer toenmalig president Kirchner besloot de verdwijningen tijdens de ‘Vuile Oorlog’ te onderzoeken.

Even verderop zie ik een hoek vol spandoeken. Met mijn beperkte kennis van het Spaans heb ik even tijd nodig om alle opschriften te ontcijferen. Falkland-veteranen betogen hier omdat de medische begeleiding na de oorlog voor deze mannen en hun kameraden is weggevallen wegens regeringsbesparingen. Ook kregen deze militairen geen onderscheidingen voor de heldhaftigheid die ze toonden tegen het veel te sterke Britse leger van Margaret Thatcher. Eduardo, één van de veteranen op het plein, belooft me dat de strijd voor gerechtigheid nog lang niet over is. Hij en zijn vrienden zijn ondertussen al vier jaar aan het betogen. Verslagen door de Britten, verraden door de regering, de echte soldaat blijft overeind.

DSCN0280

Elke dag merk ik wel ergens een betoging op. Telkens vraag ik omstaanders wat de drijfveer van dit openlijk protest is, vaak krijg ik het antwoord dat het om niets belangrijks gaat. Soms krijg je als toerist zelfs te horen dat er vandaag geen interessante betogingen gepland zijn. Hoe betogen tot een cultureel erfgoed verheven kan worden.

Ondertussen ben ik ingetrokken bij de lieftallige Noëmie. ‘La Tana’ is een Italiaanse die al vier jaar in Buenos Aires woont en werkt voor de regering. Samen met haar collega’s onderzoekt ze misdaden tegen de mensenrechten uit het verleden. Om deze job naar behoren te volbrengen verdiept ze zich in het rechtssysteem in de universiteit van Buenos Aires. Mij houden aan louter deze beschrijving van Noëmie zou een ander deel van haar persoonlijkheid ontkennen. Ze is vooral een levensgenieter, lui zoals ze zelf zegt en neemt nooit een blad voor de mond. We weigeren formeel te zijn tegen elkaar en sluiten dan maar onmiddellijk vriendschap met een glas Fernet.

Haar wondermooie appartement ligt in Chacarita, een aftandse wijk die vroeger meer aanzien genoot dankzij de grote Joodse gemeenschap. Vandaag ligt de wijk er verwaarloosd bij. Zelfs het voetbalstadion van Club Atletico Atlanta, een tweedeklasser, begeeft het onder zoveel tristesse, Supporters komen er amper nog. Het is werkloos beton en het lijkt alsof het dat zelf ook beseft, beetje bij beetje valt de boel hier uit elkaar.

‘s Avonds troepen de officieuze vuilnisophalers die dag in dag uit de stad doorkruisen zich samen rond het kleine treinstationnetje. Hun aanwezigheid samen met de weinige straatverlichting maakt het geen goed idee om ‘s avonds een halte te vroeg of te laat van de bus te springen als je er geen onveiligheidsgevoel op na wil houden.

Toch merk je al snel bij deze vergeten buurten dat er een nieuwe, eigen dynamiek ontstaat alsof het stilzwijgend zijn onafhankelijkheid wil uitroepen. Chacarita straalt een dorpsfeer uit, om de hoek kan je nog sigaretten per stuk kopen en bij de groenteboer ronden ze steeds naar beneden af. Toeristen zie je in deze wijk van Buenos Aires niet en de mensen alhier lijken ze precies ook niet te missen. De Gentse Muide lijkt plots heel dichtbij.

DSCN0416

Maar ik wou het even over de Joden in Buenos Aires hebben. Niet zoveel steden ter wereld hebben een grotere Joodse gemeenschap en dat is ook onmiddellijk zichtbaar in de vriendenkring van Noëmie. Wanneer ik samen met haar en enkele vrienden wat ga drinken en we samen een asado –de plaatselijke barbecue- eten, blijken ‘La Tana’ als ikzelf de enigste niet-Joden in het gezelschap te zijn. Wanneer ik haar vrienden vraag hoe oud-president Peron het in eigen land kon verkopen om na de tweede Wereldoorlog zoveel Nazi-misdadigers het land binnen te laten, wijten ze dit aan de gespletenheid van deze man. Het Argentinië van Peron bood de gevluchte Joden -meer dan andere landen in Latijns-Amerika- een nieuwe thuis, maar sympathiseerde evengoed met de Nazi-Staten. Deze overpeinzingen over de plaatselijke geschiedenis drukten echter de pret niet. Het bier komt hier uit literflessen, warmt dus des te sneller op, smaakt best wel goed, maar de kater slaat al toe voor de dronkenschap.

Het Museo Nacional wil ik zeker niet overslaan omdat men ook voor Europese kunstenaars hier een krammetje in de muur wil slaan. Goya, Van Gogh, Gauguin, Manet, Rodin en Degas om er maar enkele te noemen. Maar dit museum bezoeken zorgt ervoor dat een Europeaan ook wat bijleert over wat Zuid-Amerika voorstelt op het vlak van schilderkunst. Pueyrredon en Candido Lopez, voorheen compleet onbekend voor mij, weten mij onmiddellijk te bekoren.

De temperaturen lopen verder op richting 38 graden Celsius. De zon smoort de lucht tot een vette brij die amper in te ademen is. Desondanks is het de moeite waard om te slenteren door alle mooie wijken: van San Telmo naar Boca (de wijk van de Tango), richting Recoleta en de parken in Palermo. Soms vind ik de moed niet om de hitte van de straatstenen te bekampen en wacht ik de avonden af om de lift naar beneden te nemen. Op één van die avonden spreek ik af met Eddy, een Gentenaar die hier zijn tenten heeft opgeslaan. In Gent is hij bekend als roots reggae deejay onder de naam Rasteddy. Een aangename verpozing in het Nederlands (dat echte Gents spreken we beiden niet), maar tevens een leuke middag met een interessant man die binnenkort waarschijnlijk in de provincie aan de slag gaat in een bio-landbouwbedrijf. Voorlopig pleziert hij iedereen die er om vraagt met lekkere schotels in een leuke bar in San Telmo waar hij kok is.

Na vijf dagen couchsurfen ben ik ook bij Noëmie de vaste ijskastvuller en poetshulp geworden. Ik heb mijn eigen huissleutel gekregen en krijg zelfs het gevoel dat de katten aan mij beginnen te wennen. Noëmie vertrouwt me toe dat ze me zal missen. Ze zou kunnen doorgaan voor mijn grote zus maar onze wegen zullen echter heel binnenkort scheiden. Ik heb een busticket geboekt richting Ushuaia, de zuidelijkste stad ter wereld, wat betekent dat ik 48 uur op de bus zal zitten dwars door Patagonië en drieduizend kilometers extra op mijn teller zal zetten.

De laatste nacht bid ik voor een leuke, gezellige en tevens frisgewassen buurman-vrouw naast mij op de bus.

Buenos Aires, vrijdag 3 februari 2012

DSCN0440

Uruguay en het leven aan de Rio de la Plata

Het hele jaar is de noodzaak aan lichamelijke mobiliteit haast te verwaarlozen omdat je achterste vergroeid is met je bureaustoel. Murphy leert ons dan, dat we net op het moment dat we de benen willen uitslaan richting de wijde wereld, aan laatstgenoemde een defect oplopen. Mij verging het -zoals u reeds kan voorspellen – niet anders: luttele dagen voor afreizen liep ik een scheurtje op in één van mijn enkelligamenten. Had ik die laatste zaalvoetbalwedstrijd maar niet moeten spelen. Maar dat is achteraf steeds makkelijk praten.

Gelukkig is mijn eerste bestemming Punta Del Este, synoniem voor zon-zee-strand (en prijzen die het budget van de backpacker ruimschoots overstijgen). Uruguay is niet de meest voor de hand liggende reisbestemming. Omliggende landen als Argentinië, Chili en Peru (om er enkele te noemen) zorgen ervoor dat dit kleine landje door de Westerse toerist vaak over het hoofd wordt gezien. Eerlijk gezegd ging mijn kennis over dit landje ook niet verder dan de twee wereldtitels voetbal uit een ver verleden en het rugbyteam dat neerstortte in de Andes. Verfilmd onder de titel Alive.

Uruguay is een eiland binnen het Zuid-Amerikaans continent dat verder vaak getekend werd door een woelige politieke geschiedenis. Het “Zuid-Amerikaanse Zwitserland” is tevens één van de veiligste en minst corrupte van het continent.
Punta Del Este is dan weer de strandparel waar het land graag mee pronkt en waar de inwoners graag heen gaan om te pronken. Ze wordt tevens gaarne bezocht door de beau monde van Hollywood. Als backpacker oogt het wel niet om mijzelf over te geven aan enkele dagen star spotting, dus beslis ik om mij mooi aan die code te houden.

Het is steeds wat amechtig bewegen (los van mijn tijdelijke handicap) als solitair reiziger. De vraag rijst dan steeds welke houding ik mezelf aanmeet. De ervaren en zelfverzekerde reiziger of eerder de alles absorberende en nieuwsgierige toerist (één oog steeds aan de cameralens)? De waarheid is dat ik mij in beide rollen niet comfortabel voel. Dus doe-ik-maar-wat in de hoop dat ik niet te hard opval. Naast het prachtige strand en een bezoek aan Casapueblo, een architecturaal pareltje van de hand van Carlos Páez Viláro, is er niet zoveel te beleven.

Monumento al Ahogado

Ik ben dus toegewezen op zonnebaden, waar mijn voet maar al te blij voor is. De zon staat heel hoog aan de hemel en schaduw is heel zeldzaam. Het maatje te klein lijkt hier de favoriete kledingmaat te zijn voor het vrouwelijk schoon. De mannen op hun beurt zijn bruin, gespierd en geolied. Al snel word ik geconfronteerd met de beperking van alleen reizen. Het lukt mij amper mijn hele rug te bestrijken met zonnebrandolie (en toegegeven, op dag één ben ik nog iets te timide om hiervoor hulp in te roepen). Daarnaast besef ik al vlug dat ik nogal spastisch beweeg wanneer ik zo veel mogelijk oppervlakte van mijn rug wil bereiken met het kleverige goedje. Naast korte armen, blijk ik ook een te kwetsbaar ego te hebben en al snel stop ik de bus zonnebrandolie weg. Het resultaat laat niet lang op zich wachten, rood geblakerd op een manier als zou het Jack The Dripper geweest zijn die met mijn rug aan de slag is gegaan.

Een dag later ontmoet ik twee meisjes: Ana en Natalia, Montevideanos die hun zomerdagen graag slijten aan de stranden van Punta Del Este. Ze bieden mij voor de volgende dag een lift aan richting Montevideo, de hoofdstad. Een sociaal-economisch voordelig aanbod dat ik niet mag afslaan. Maar niet vooraleer we samen het nachtleven induiken.

Ik heb maar enkele uren geslapen wanneer we de auto van Natalia’s ouders inspringen richting Montevideo. Aldaar word ik verwacht bij Soledad Rodriguez. Een vrouw die ik via het couchsurf-platform leerde kennen en mij haar zetel als slaapplaats aanbiedt in Jacinto Vera, een barrio (wijk) van Montevideo. Gedurende vier nachten en vijf dagen word ik deel van haar gezinnetje, dat naast haarzelf bestaat uit haar driejarig zoontje Augusto en haar maltezer Pituca.

Couchsurfing biedt naast gratis slaapplaatsen ook een inkijk in het leven van de gemiddelde inwoner van de stad of streek die je bezoekt. Tevens krijg je er vaak een gratis gids bij die je naar plaatsen leidt waar je anders als toerist nooit zou komen. Dat ik daarbij het plaatselijke toerisme ondermijn, daar wil ik mij op dit moment niet te hard op focussen. Soledad werkt als vertaler bij het Uruguayaanse leger en vertoefde een groot deel van haar leven op vredesmissies. Zo ‘leefde’ ze geruime tijd in landen als Congo en Tanzania. Terwijl iemand anders de familiealbums boven zou halen, toont Soledad mij albums vol foto’s van afgerukte armen en dorstige en ondervoede kinderen. Ze mist dat leven, als moeder kan ze het niet meer maken om heel lang en heel ver weg te gaan. Ze heeft een bijzondere kijk op het leven, maar toch voel ik mij onmiddellijk thuis bij deze gastvrije en warme dame.

Ik ben al enkele dagen in Montevideo wanneer Natalia en Ana mij als volleerde gidsen rondleiden in Montevideo, al lijkt Ana er meer mee begaan. Natalia is niet echt een groot aanhanger van haar eigen stad. Geef haar maar Buenos Aires, daar aan de andere kant van de Rio de la Plata, waar ze zes jaar woonde als studente. Zij is niet de enige: veel jonge Montevideanos ontvluchten hun stad voor het meer kosmopolitische Buenos Aires. Toch vind ik Montevideo best leuk: genoeg grootstad, maar ook weer klein genoeg zodat je er snel thuis voelt. Montevideo… de naam zou er gekomen zijn nadat één van Ferdinand Magellaan’s bemanningsleden bij het zien van land riep: “Monte-vide-eu”!!! Wat in het Portugees zoveel wil zeggen: “Ik zag een berg”. Ik wil het wel geloven, al heb ik zo mijn bedenkingen aangezien het hoogste punt van het land een goede 500 meter haalt. Onderweg springen we even binnen in het museum van tekenaar en schilder Joaquin Torres García, maar niemand van ons is echt onder de indruk.

Buiten is het echter beter: Montevideo bruist en leeft en maakt mij enkel maar verwachtensvoller over wat me te wachten staat aan de overkant van het water, in Buenos Aires. De rondleiding eindigt met een etentje op de rambla waar we de toeschouwer worden van een schitterende storm, die gelukkig enkel zintuiglijk blijft hangen.DSCN0150

Ondertussen tikken de dagen verder in Montevideo en ik hou me bezig met lezen en kuieren van kruidenier naar bakkerij en terug naar huis, Soledad’s huis dus. Ondertussen heb ik al enkele huishoudelijke taken op mij genomen zoals de afwas en de kuis.
Het is leuk om deel te zijn van haar gezinnetje, al lijkt de kunst wel om de juiste balans te vinden. Als ik mij op een avond ontferm over Augusto die weigert te eten en ik er wonderwel in slaag de inhoud van het bord in het kind te krijgen, vertelt Soledad dat ze het mist dat er een tweede persoon in huis is om voor haar zoontje te zorgen. Waarop ze me heel even teder aankijkt.

Mijn reis gaat echter verder naar Colonia Del Sacramento, een oud smokkelaarshavenstadje dat erkend is als werelderfgoed. Het wisselde talloze malen van bezetter tussen de Portugezen en de Spanjaarden aangezien het een belangrijke sluis was voor de binnenrivieren van Zuid-Amerika.
Het is mijns inziens wat overmoedig om het een stad te noemen, Colonia Del Sacramento kun je op een halfuur doorstappen, maar dat maakt het niet minder aantrekkelijk. Kasseisteegjes, een vuurtoren en elke avond een schitterende zonsondergang, een mens heeft haast niet meer nodig om zich de koning te rijk te voelen. Al maak ik me soms bedenkingen met die werelderfgoederkenningen die er ook voor zorgen dat zulke plaatsen platgelopen worden door horden toeristen. Ik besef echter dat het schamel is om kritiek op de kudde te geven waar je zelf deel van bent.

Met het verlaten van Colonia laat ik ook Uruguay achter mij. Een honderdvijftigtal kilometer verder aan de andere oever van de Rio de la Plata ligt Argentinië.DSCN0204

“Reizen ligt aan de andere kant van het leven” schreef Louis-Ferdinand Céline. Tien dagen na de dag waarop ik alles – spreekwoordelijk – achterliet, begin ik al een beetje dichter bij die andere kant te komen.

Colonia del Sacramento, vrijdag 27 januari 2012

Dwars door de Amerika’s

Vorige week ben ik vertrokken voor een vijf maand durende reis door de Amerika’s. Een reis die sommigen interpreteren als het achterlaten van mijn jeugd op zoek naar mijn doorbraak naar het volwassendom. Anderen houden het tussen een laattijdige stuiptrekking van de adolescentie en een vroegtijdige midlifecrisis. Laat staan dat ik hoop mezelf tegen te komen tijdens deze reis. Misschien zijn dit wel mijn eigen zinsbeelden.

Toch is deze reis geen vlucht, ik vermoed dat ik het allemaal wel voor elkaar heb in deze maatschappij. Achteraf zal ik mij weer mooi in de gemeenschap voegen en de spelregels volgen. Weer meer deelnemer dan toeschouwer worden.

Onlangs ben ik 31 jaar geworden, ik heb de laatste zeven jaar veel gereisd, steeds veilig het avontuur en het ongewisse opgezocht. Toch wil ik mij niet voorstellen als een doorgewinterde reiziger, vaak word ik de weken voor mijn afreis afgeschrikt door dat avontuur, sla ik mezelf voor het hoofd dat ik bij het boeken van mijn vlucht steeds zo overmoedig ben. In die laatste weken voor mijn vertrek zoek ik steevast naar uitvluchten om toch niet te moeten gaan en wik deze omzichtig zodat ik door vrienden en goegemeente niet als angsthaas word nagekeken. Natuurlijk vertrek ik steeds – krampachtig. Ook deze maal.

Ik beken dat ik deze reis binnensmonds benoem als een mijlpaal in mijn leven, mede gedreven door het iconografische karakter van zulke odyssees. In mijn achterhoofd zitten schitterende reisverhalen zoals On the road van Jack Kerouac. Hij die één van zijn reizen zo mooi verwoordde toen hij halverwege Amerika was: op de breuklijn tussen het oosten van zijn jeugd en het westen van zijn toekomst. Zonder dat enige andere vergelijking verder zou opgaan, maak ik deze reis op het punt waarop mijn vriendin en ik het meer en meer hebben over een huis kopen en kinderen.

Het moment waarop we meer en meer middenklasse-mensen worden, maar dat liever blijven ontkennen, amper beseffend dat onze gesprekken vaker dan ons lief is, afglijden naar onderwerpen als werkzekerheid, een goed nest om een gezin te stichten en het veiligheidsgevoel in Gent.

En toch vertrek ik, met de rugzak en met veel ambitie, natuurlijk zal ik op onbewaakte momenten mezelf – heimelijk – proberen te vinden. Wie weet zijn er antwoorden te vinden al liftend tussen Montevideo en Buenos Aires en zo verder naar Patagonië en Santiago in Chili, noordwaarts trekkend langs Bolivië, Peru, Colombia, de boot op naar Mexico, dat als sluis zal dienen voor dat andere Amerika waar Alaska mijn noordelijkste punt zal zijn.

Naast het eigen pad dat ik zal trachten te banen, zal ik tevens in de sporen treden van de jonge Che Guevara, eerder genoemde Jack Kerouac, motornovellist Robert Pirsig en de esthetische reiziger: Christopher McCandless. Iets waaraan ik niet wil verzaken eens daar. Ik wil grote en kleine mensen ontmoeten, bekeken vanuit verschillende ooghoeken.

Pan-Amerikaans reizen al liftend of met het openbaar vervoer al is het maar om mijn alleen zijn/eenzaamheid te doorbreken om toch maar niet te veel met mezelf geconfronteerd te worden, niet?

Ik wil op zoek gaan naar waar mensen op zoek gaan als ze zulke reizen maken, kijken wat dat ontbrekende stukje is dat mensen beweren te hebben gevonden na de-reis-van-hun-leven. Kijken hoeveel indignado er nog over is en of mijn vloek tegenover de maatschappij eerder tanende is of juist stand gehouden heeft gehouden na mijn twintigerjaren. Weten of ik mij kan ontwortelen van mijn veilige thuis en lieve, warme voorspelbaarheid. Even het spel vanaf de zijlijn bekijken en mij onttrekken aan de maatschappelijke druk, al is dat laatste misschien maar een illusie.

Vanaf komende weken kan u mij hier volgen met veel hersenspinsels over het solitaire reizen en de schoonheid die voor mijn ogen zal voorbij glijden.

Montevideo, 23 januari 2012